|
 | |  |  | 
Weer wordt alles anders, Nu word ik weer betoverd, Door ’t allerluchtigste, waar niets van overblijft. Nu lijkt het weer of dat het enig levende is En al ’t eenvoudige en harde, alleen décor, Een bodem waar het leven boven drijft. Een gouden haar, Haperend op een donkerblauwe mouw, Een hiëroglief. Sporen van vogelpootjes in de sneeuw, Een ondertoon van lachen in een stem. Vreemd, dat het leven zo terug gaat komen, Achterstevoren, In schaduwen, echo’s, lichte sporen.
M.Vasalis, uit: Vergezichten en gezichten.
|
 |  |  |
|
|
|  |  |  | |
|
|