De Emmaüsgangers
Rembrandt schilderde het moment dat de leerlingen van Jezus ontdekken wie de vreemdeling is, die onderweg met hen opliep. Toen hij het brood brak, herkenden zij hem, zo staat er in Lucas 24. De ontzetting spreekt van het gezicht van de ene leerling. De andere leerling (in donkere vage penseelbewegingen op de voorgrond geschilderd, eigenlijk niet goed te zien op een reproductie) is op zijn knieën voor deze verschijning gevallen en heeft zijn stoel omvergegooid. De reiszak hangt prominent in beeld. Werkelijk inzicht breekt alleen door als je onderweg bent gegaan.
Er zijn twee lichtbronnen in het schilderij: verborgen achter Jezus en in de keuken waar een vrouw het eten klaarmaakt. Het bijzondere en het gewone is met elkaar verbonden, lijkt Rembrandt te suggereren. Jezus zelf blijft in het donker, al bijna op het punt van verdwijnen.
Het is als met een Godservaring: je ziet het, proeft, het, je raakt ervan ondersteboven maar tegelijk ontsnapt het aan je begrip en het is weg voor je er beslag op kunt leggen.