Jong als kinderstemmen reeds met de tongval van de ouderdom te kunnen zeggen: zie achter mij hoeveel ik al tot stof geleefd heb en hoeveel as zich ophoopt in mijn ogen en hoeveel stof en as mijn hand daarvan bevatten kan en samenbalt tot niets. en toch en desondanks wachten - onmatig - - want matigheid is zwakte - en nieuwe kleren kopen voor de hoop hoewel de laatste zekerheden naakt gaan en trachten waar men niet bestond toch te ontstaan om het onmogelijk natuurverschijnsel: zon in de maan rondlopende weg terug of het oog in de rug. omdat geloof ontspringt uit de zekerheid dat er geen hoop meer is omdat het hart zich voedt met wat de hand ontvalt.